Vindt u dat ook?

Februari 1945 in Den Haag. De winter die nu de Hongerwinter heet, die bovendien tot de koudste winters van de eeuw ging behoren. Ik was 11 jaar en ik werd ziek. Mijn broertje werd erop uitgestuurd om de dokter te waarschuwen. Het was een half uur lopen, want geen telefoon, geen fiets of tram. De dokter kwam na een paar dagen en constateerde difteritis; ik moest geïsoleerd liggen om anderen niet te besmetten. Mijn moeder ontplofte: ze heeft iedereen al lang kunnen besmetten deze dagen. Ik bleef dus in bed in de huiskamer. Want ons hele gezin, mijn ouders, mij broertje van 10 jaar en ik sliepen in de grote woonkamer van het Haagse benedenhuis. Dat was veilig, oordeelde mijn moeder, maar vooral: het was er niet de hele dag stervenskoud. In die kamer brandde een deel van dag het Majokacheltje. Dat was en groot blik waarin een brander was geknutseld en waarop de suikerbieten werden gekookt; dat nam veel minder brandstof dan de kachel. Want gas was er al helemaal niet. Tussen haakjes: die suikerbieten waren heel goed te eten, alleen tegen het eind van de winter werden ze taai en smakeloos, net als alle bewaarkool destijds.

Gelukkig was ik ingeënt tegen difteritis en nog zo wat andere kinderziekten. Dat gebeurde op school, af en toe kwam een team medische lieden op school en kregen wij een prik ergens tegen.

Ik knapte op en kon weer naar school. Niet voor de lessen, die winter was er helmaal geen les want geen verwarming. Maar voor een maaltijd! Het Rode Kruis had met de bezetter kunnen regelen dat kinderen op school een maaltijd kregen. Die moest ter plekke verorberd worden.

Heel veel jaren later kwam mijn Hongerwinterdifteritis ter sprake bij mijn schoonmoeder. Zij woonde destijds in een kleinere plaats in Friesland waar de kinderen nog niet werden ingeënt zoals in het Westen. Zij vertelde dat haar jongste zoon ook difteritis had gehad. Er was nog een kind in de buurt met difteritis. De dokter had een serum, hij gaf het aan het jongste kind, mijn schoonmoeders zoon; het andere kind is overleden.

Ruim een halve eeuw later lees ik dat het inenten van kinderen door een groot aantal mensen wordt afgewezen. Die prik zou kinderen wat ongemak en pijntjes kunnen bezorgen, ziek is een te groot woord. Beseffen deze mensen wel wat ze hun kinderen aandoen? Die kinderziekten zijn bepaald niet uitgestorven. Alleen gaan kinderen er niet meer aan dood doordat ze tijdig worden ingeënt. Ik heb mijn leven te danken aan het feit dat ik was ingeënt. Ik gun dat alle kinderen.

Wie welbewust zijn kind het risico laat lopen op een dodelijke ziekte die te voorkomen is kan ik niet anders zien dan als een oerdomme potentiële moordenaar.

Wat vindt u?

Aletta